Een slechte print kan uit materiaal, slicerinstelling, nozzle, extruder, temperatuur, mechanica of kalibratie komen. Daarom helpt het niet om twintig instellingen tegelijk te veranderen.
Maak een reproduceerbare kleine test en verander één relevante variabele. Kijk ook naar mechanische oorzaken voordat je een softwareprofiel volledig herschrijft.
Controleer bedoppervlak, reiniging, nozzlehoogte, mesh/leveling, temperatuur en daadwerkelijke filamentdoorvoer. Een eerste laag die plaatselijk goed en plaatselijk slecht is kan wijzen op vlakheid of mesh; overal te los eerder op Z-offset.
Let op klikgeluiden, wisselende lijnbreedte en gemeten filamentdoorvoer. Controleer nozzle, extrudergear, spanning, filamentdiameter en hotendtemperatuur. Een gedeeltelijke verstopping kan pas bij hogere flow zichtbaar worden.
Bij herhaalbare verschuiving, speling, resonantie, kromme assen, losse riemen of lagers. Controleer bewegingsvrijheid met de printer spanningsloos waar dat passend is en vergelijk mechanische positie met wat firmware verwacht.
3D-printen is de primaire ingang; bij elektronische fouten kunnen Elektronica en Algemene reparatie aansluiten, en bij profielen of firmware Digitaal.